
Jurisprudentie
BC2562
Datum uitspraak2007-11-02
Datum gepubliceerd2008-01-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers140009 / KG ZA 07-570
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2008-01-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers140009 / KG ZA 07-570
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Bevel om uithuisplaatsing krachtens rechterlijke beschikking van heel jong kind (enkele weken) ongedaan te maken. Afgewezen omdat verdere behandeling van de zaak door de kinderrechter kan worden afgewacht.
Uitspraak
proces-verbaal
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 140009 / KG ZA 07-570
Proces-verbaal van de zitting, gehouden op 2 november 2007, houdende mondeling vonnis
in de zaak van
1. [Eiser],
wonende te […],
2. [Eiseres],
wonende te […],
eisers,
procureur mr. M.A. Meindersma,
tegen
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, VESTIGING HAARLEM,
gevestigd te Haarlem,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [medewerker bij de Raad] en [onderzoeker bij de Raad].
Partijen zullen hierna de ouders en de Raad genoemd worden.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter, en mr. A.R. ten Berge, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen
- [eiser] in persoon
- [eiseres] in persoon
- […] van het InformatieSteunPunt (ISP)
- […], maatschappelijk werkster
- mr. Meindersma voornoemd
- [medewerker van de Raad]
- [onderzoeker bij de Raad]
1. De feiten
1.1. Eisers zijn de ouders van de op […] 2007 te […] geboren [het kind].
1.2. Bij beschikking van 25 oktober 2007 is op verzoek van de Raad de voorlopige ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing van [het kind] met ingang van 25 oktober 2007 uitgesproken, zonder de ouders hierover vooraf te horen.
1.3. De verdere behandeling van de zaak met het ouderverhoor zal plaatsvinden op 6 november 2007.
2. Het geschil
2.1. De ouders vorderen na wijziging van eis, buiten procesrechtelijk bezwaar van de Raad, - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:
- de Raad zal gebieden de minderjarige [het kind] over te dragen aan de ouders, dan wel de Raad zal gebieden over te gaan tot netwerkplaatsing van [het kind] bij [de oom] van [het kind].
- zal bepalen dat de Raad een dwangsom van EUR 1.000,-- zal dienen te betalen voor elke dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen
Met veroordeling van de Raad in de kosten van de procedure.
2.2. De ouders hebben aangevoerd dat zij vinden dat een zware maatregel van een uithuisplaatsing van een pasgeboren baby alleen gerechtvaardigd is als een rechterlijke toetsing heeft plaatsgevonden waarbij alle belangen zorgvuldig zijn afgewogen. De ouders vinden dat zij eerst door de kinderrechter gehoord hadden moeten worden, hetgeen niet is gebeurd. Zij stellen dat het uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat de ouders worden gehoord, behalve wanneer dat niet mogelijk is. In casu is echter niet geprobeerd de ouders te horen.
Dat is volgens de ouders temeer ontoelaatbaar waar, zoals hier, een indicatiebesluit voor de uithuisplaatsing ontbreekt.
2.3. De Raad heeft onder meer aangevoerd dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich brengt dat de beschikking van de rechter in principe moet worden nageleefd en dat in het onderhavige kort geding geen inhoudelijke bezwaren tegen deze beschikking kunnen worden aangevoerd. Tegen de beschikking van de machtiging tot uithuisplaatsing staat immers de mogelijkheid van hoger beroep open.
De Raad betwijfelt het spoedeisend belang, nu de zaak op de hoorzitting van 6 november 2007 bij de kinderrechter wordt behandeld, welke datum is gelegen binnen de door de wet voorgeschreven termijn van twee weken.
De inhoudelijke toetsing van de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] door de kinderrechter vindt slechts enkele dagen na deze kort geding zitting plaats en had door de ouders afgewacht kunnen worden.
2.4. Partijen blijven bij de eerder door hen ingenomen standpunten. De rechter wijst het volgende vonnis.
3. De beoordeling
3.1. Het spoedeisendheidsverweer faalt. Gegeven de ingrijpendheid van de opgelegde maatregel is iedere dag dat deze zonder toereikende grond voortduurt er één teveel.
3.2. Op grond van artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kinderrechter de hier toegepaste kinderbeschermingsmaatregelen aanstonds -d.w.z. zonder voorafgaande oproeping en verhoor van belanghebbenden- geven indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk ernstig gevaar voor de minderjarige.
Aldus gegeven beschikkingen verliezen hun rechtskracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening kenbaar te maken. Ingevolge artikel 1:261 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 3 lid 5 van de Wet op de jeugdzorg juncto artikel 14 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg is een indicatiebesluit in spoedeisende zaken niet vereist en kan een dergelijk besluit achteraf worden afgegeven.
3.3. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de ouders in hun vorderingen staat voorop, enerzijds, dat het voor belanghebbenden mogelijk moet zijn om zich effectief teweer te stellen tegen onrechtmatige aantasting van essentiële rechten als het recht om kinderen te krijgen en zelf te verzorgen en op te voeden, waarvoor, zonodig, ook de gang naar de kort geding rechter open moet staan, anderzijds dat van onrechtmatige aantasting in een situatie waarin de inbreuk op die rechten wordt gelegitimeerd door een rechterlijke beschikking slechts in uitzonderingsgevallen sprake kan zijn.
Te denken valt daarbij enerzijds aan een beschikking die op verkeerde voorlichting van de rechter of een inmiddels achterhaalde feitelijke situatie is gebaseerd, anderzijds een beschikking met kennelijke misslagen en of fundamentele gebreken in de rechtsgang.
3.4. Het is aan degene die de kort geding rechter inroept om de feiten te stellen die ingrijpen in de executie van de beschikking van de kinderrechter kan rechtvaardigen.
De omstandigheid dat die kinderrechter zich ter fine van het ouderverhoor op korte termijn weer over de zaak buigt, brengt mee dat feiten moeten worden gesteld die zo klemmend zijn dat dit verhoor en de daaropvolgende uitspraak niet kan worden afgewacht.
3.5. Dat is in casu niet gebeurd. De stelling dat een zo zwaar middel als het uithuisplaatsen van een kind dat een dag oud is, en het daartoe een dag na de geboorte bij de moeder in het ziekenhuis weghalen, slechts dan zal kunnen worden toegepast wanneer daadwerkelijk en aantoonbaar sprake zou zijn van een ernstige bedreiging van de zedelijke en/of geestelijke belangen of gezondheid van [het kind], vindt geen steun in het recht. Integendeel, het wettelijk stelsel strekt er juist toe "het zekere voor het onzekere te nemen" door de kinderrechter de bevoegdheid te geven om de minderjarige hangende het onderzoek naar de vraag of daadwerkelijk en aantoonbaar sprake is van een ernstige bedreiging van zijn zedelijke en/of geestelijke belangen of gezondheid op gemotiveerd verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming voorlopig onder toezicht te stellen en daarbij machtiging te verlenen de minderjarige uit huis te plaatsen.
3.6. Ook de stelling dat uithuisplaatsing in het onderhavige geval niet toelaatbaar zou zijn omdat de ouders, gegeven de geboortedatum van de minderjarige, nimmer de kans hebben gehad zich jegens die minderjarige als ouders te bewijzen vindt geen steun in het recht. De wet ken immers geen limitering van de gronden voor de voorlopige uithuisplaatsing na een ex parte procedure en vereist met name niet dat die gronden zijn terug te voeren tot gedrag of nalatigheid van de ouders met betrekking tot de minderjarige van wie de uithuisplaatsing wordt verzocht.
Ook schrijft de wet niet voor dat voorafgaand wordt gehoord tenzij dat horen feitelijk niet mogelijk is.
3.7. De ouders hebben nog aangevoerd dat de Raad uit alle macht probeert hun kinderen bij hen weg te houden. Daartoe stellen zij dat de uitspraak in hoger beroep ter zake van de uithuisplaatsing van hun derde kind, [het derde kind], waarbij de ouders in het gelijk zijn gesteld, door de gezinsvoorgdij-instelling geheim is gehouden, waarna [het derde kind] voor beide ouders verborgen werd gehouden.
3.8. Gelet op het verweer van de Raad en de daarbij overgelegde stukken is er geen aanleiding voor de gedachte dat de Raad zich bij de bevordering van de getroffen maatregelen hebben laten leiden door motieven die niet zijn gerelateerd aan haar wettelijke taakopdracht, laat staan dat dit zodanig evident zou zijn dat grond zou kunnen zijn voor ingrijpen in dit kort geding. Het rapport dat ten grondslag ligt aan het verzoek om voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing d.d. 24 oktober 2007 bevat een begrijpelijke en op zichzelf toereikende motivering van die verzoeken, die aansluit bij het beeld dat uit de andere stukken in het dossier oprijst.
3.9. Conclusie is dat er geen aanleiding is om de gevraagde voorzieningen te treffen.
3.10. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat wel begrijpelijk is dat de ouders het gevoel hebben dat de betrokken instanties erop uit zijn om uit alle macht de kinderen bij hen weg te houden, wanneer in aanmerking wordt genomen dat de William Schrikker Stichting de behandeling van het appel tegen de uithuisplaatsing over zich heen heeft laten komen en, nadat het Hof had beslist dat [het derde kind] weer thuis diende te worden geplaatst, buiten de ouders om het kind nog twee weken bij de pleegouders heeft gelaten en in die periode (met de Raad) alles op alles heeft gezet om een nieuwe uithuisplaatsing te bewerkstellingen.
Ter zitting is aannemelijk geworden dat dit ertoe heeft geleid dat de ouders geen vertrouwen meer hebben in de eerlijkheid waarmee “de instanties” met hun belangen omspringen.
Het past de Raad om dit te onderkennen en in overleg met de William Schrikker Stichting een gedragslijn te kiezen die tot herstel van dat vertrouwen kan bijdragen. Het voortvarend uitzetten van een pad dat ertoe kan leiden dat de ouders -binnen verantwoorde grenzen- de kans krijgen om in relatie tot hun jongste kind te laten zien dat ze goede ouders kunnen zijn, zou daarin passen.
3.11. [Eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Raad worden begroot op:
- vast recht EUR 251,00
Totaal EUR 251,00
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1. weigert de voorziening,
4.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Raad tot op heden begroot op EUR 251,00,
4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan proces-verbaal,

